Hoofdstuk 1
HET ONTSTAAN EN VERVAL
VAN ISRAËL.
"De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het
land, dat Ik u wijzen zal; Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot
maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik ver-
vloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden".
Genesis 12:1-3.
Met deze woorden van God begon in feite de geschiedenis van het volk van Israël. Abram, werd door God veranderd in Abraham, omdat hij de stamvader zou worden van vele volken. Hij kwam uit de plaats Ur in Chaldea, gelegen aan de benedenloop van de rivieren de Eufraat en de Tigris. Later had hij zich in Haran gevestigd, dat noordelijker gelegen was, in de streken van Mesopotamië. Hier ontving hij Gods opdracht en vertrok, via Syrië naar Kanaän, het latere Israël.
Na de periode van Abraham en zijn afstammelingen Izaäk en Jacob wordt Gods plan steeds duidelijker. Uit de bijbelse geschiedenis blijkt dat Hij, via Jacobs twaalf zonen, Zich een volk op aarde wilde vergaderen die Zijn Naam moest gaan dragen. Jozef, één van Jacobs zonen kwam door een gemene zaak van zijn broers als slaaf in Egypte terecht. Hij klimt daar met behulp van God op tot de machtige positie van onderkoning.
Vele jaren later, zonder dat ze hem herkenden, wordt hij met zijn broers geconfronteerd. Door de heersende hongersnood in Kanaän werden dezen namelijk gedwongen naar Egypte af te reizen, waar door toedoen van Jozef graan in overvloed was. Nadat Jozef zich uiteindelijk aan zijn broers bekend gemaakt had, bewoog hij hen zich met hun vader in Egypte te vestigen, wat ook gebeurde. Zeventien jaar heeft Jacob in Egypte geleefd eer hij stierf. Voor zijn dood, zo staat er in Genesis 49:1-28 geschreven, zegende hij zijn twaalf zonen, de stamvaders van het volk Israëls. Uit de zegenende woorden die hij over zijn zoon Juda uitsprak, blijkt dat uit zijn stam iemand zal voortkomen, die Heerser over alle volken zal worden: De Messias.
"De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn".
Ruim vierhonderd jaar hebben de afstammelingen van Abraham, Izaäk en Jacob in Egypte gewoond. In die tijd groeiden ze uit tot een volk van honderdduizenden goedkope slaven, die zéér slecht door hun Egyptische meesters werden behandeld. Nadat Mozes in opdracht van God het land Egypte met tien zware plagen geteisterd had, liet de Farao, die bij de laatste plaag zijn oudste zoon verloor, het volk Israël vertrekken. De Exodus (de Uittocht) begon naar men aanneemt c.a. 1250 v Chr.. Via de Schelfzee kwam het volk terecht in de woestijn Sinn. Daar ontvingen ze op de berg Sinaï de Tien Geboden van de Here, de God van Israël. Veertig jaar hebben ze in de woestijn rondgetrokken, omdat ze zéér weerspannig waren tegen de Allerhoogste. Al die tijd stonden ze onder leiding van Mozes, om vervolgens onder Jozua het beloofde land Kanaän binnen te trekken en in bezit te nemen.
Na een periode van c.a. twee eeuwen, waarin de twaalf stammen geleid werden door Richters, ontstond er een door het volk afgedwongen monarchie. De eerste koning was Saul, na hem kwam David uit de stam Juda. Deze regeerde veertig jaar en maakte Jeruzalem tot de hoofdstad van zijn koninkrijk. Verder bracht hij stabiliteit en welvaart. David heeft o.a. als psalmdichter, waarin hij zich als een ziener Gods manifesteert, grote faam verworven. Zo kan men b.v. in psalm 22:17,19 het lijden van de komende Messias al lezen. En de profeet Natan kondigde aan dat Hij uit het geslacht van David zou voortkomen. (2 Samuël 7:12-13,16)
Salomo, de zoon van David, volgde hem op en bracht het land tot nog groter aanzien en welvaart. Hij was het die in opdracht van God een tempel bouwde op de berg Moria.
Van Salomo is bekend, dat hij de geboden en inzettingen van de Here niet in acht nam zoals zijn vader David. De Here besloot daarom zijn koninkrijk in tweeën te scheuren na zijn dood. Wat ook gebeurde. Het Noordelijke deel, waar tien stammen woonden, kwam toen onder leiding van Jerobeam te staan en ging de geschiedenis in als "het koninkrijk Israël". Het Zuidelijke deel, waar twee stammen woonden, werd "het koninkrijk Juda" en kwam onder leiding van Rehabeam, de zoon van Salomo, te staan. Het Noordelijk rijk heeft zich, na de opsplitsing in 930, tot 722 v Chr. weten te handhaven alvorens het door goddeloosheid ten onderging. Bij de behandeling van het eerst opkomende Wereldrijk zullen we zien hoe dat in z'n werk is gegaan. Het koninkrijk Juda heeft zich tot 586 v Chr. weten staande te houden. Bij de behandeling van het tweede Wereldrijk zullen we zijn ondergang behandelen. Nu gaan we, zoals in het voorwoord vermeldt, de acht Wereldrijken in volgorde van opkomst van dichterbij bekijken.
HET EERSTE WERELDRIJK
ASSYRIË
en de ondergang van het
koninkrijk Israël.
"Daarom verwierp de Here het gehele geslacht van Israël. Hij vernederde hen en gaf hen over in de handen van plunderaars, totdat Hij hen van zijn aangezicht had weggeworpen".
2 Koningen 17:20.
"zodat de Israëlieten wandelden in al de zonden die Jerobeam begaan had; zij weken daarvan niet af, totdat de Here Israël van voor zijn aangezicht verwijderde, zoals Hij gesproken had door al zijn knechten, de profeten. En Israël werd uit zijn land in ballingschap weggevoerd naar Assur tot op de huidige dag".
2 Koningen 17:22-23.
Uit bovenstaande bijbelteksten blijkt heel duidelijk dat Gods geduld met Zijn volk ten einde was. Keer op keer had Hij de Israëlieten door de profeten laten waarschuwen zich afzijdig te houden van hoererij, afgoderij, waarzeggerij en andere gruwelen. Helaas zonder resultaat. Zijn besluit staat vast. Hij zal Israël straffen en tot uitvoer hiervan zal Hij de koning van Assur als roede gebruiken.
Tiglat-Pileser I stichtte het Nieuw-Assyrische rijk dat onder zijn opvolgers sterk werd uitgebreid. Tiglat-Pileser III (745-727 v Chr) was het die een einde maakte aan een Syrische coalitie waar ook het koninkrijk Israël toebehoorde en onder leiding stond van Damascus. De Israëlieten kregen toen een bijna niet te torsen belastingplicht opgelegd door de nieuwe heerser. Tijdens de regering van Hosea, Israëls laatste koning, weigerde men nog langer aan deze schatting te voldoen. De Assyrische koning Salmanasser V viel zijn koninkrijk binnen en sloeg rondom de hoofdstad Samaria een wurgend beleg. Na een langdurige strijd wist koning Sargon II Samaria in het jaar 722 v Chr. in te nemen, waarbij de stad grondig verwoest werd. De profeet Hosea (7:11) had deze ondergang reeds geprofeteerd en wel met de woorden:
"Efraïm (lees: de tien stammen) is geworden als een onnozele duif, zonder verstand. Egypte roepen zij te hulp, naar Assur trekken zij".
"Ja, Assur zal zijn koning zijn, omdat zij geweigerd hebben zich te bekeren. Het zwaard zal zijn steden treffen en zijn grendels vernietigen en verteren, vanwege hun overleggingen".
Hosea 11:5-6.
De bijbel leert ons dat velen door het zwaard stierven. De overigen der tien stammen werden naar Assyrië afgevoerd om nooit meer terug te keren. Ja, tot op de huidige dag weet men niet wat er van de tien stammen op zich terecht is gekomen. Toch is er de belofte van God dat de tien en de twee stammen Israëls in de Eindtijd weer samengevoegd zullen worden tot één volk. (Ezechiël 37:15-23).
Ook het koninkrijk Juda, onder leiding van Hizkia heeft de expansiedrift van Assyrië moeten ervaren. Belangrijke steden werden ingenomen en men kreeg zware schattingplicht opgelegd. Er brak grote paniek uit in Juda, toen men vernam dat Egypte door de Assyrische koning Sanherib bij Elkete verslagen was en nu richting Jeruzalem trok. Toen deze een beleg rondom de stad sloeg memoreerden de legeraanvoerders de vele overwinningen die de Assyrische koning met hen behaald had. Zo probeerden ze de bevolking van Jeruzalem te demoraliseren. Hizkia stuurde ten einde raad boden naar de profeet Jesaja en deze kondigde aan, dat de Here Jeruzalem zou bevrijden uit de wurggreep van Assurs koning. Wat ook gebeurde.
"In die nacht ging de Engel des Heren uit en sloeg in het leger van Assur honderdvijfentachtigduizend man. Toen men vroeg in de ochtend opstond, zie, zij waren allen lijken. Dus brak Sanhedrin, de koning van Assur, op en aanvaardde de terugtocht; en hij verbleef te Ninevé".
2 Koningen 19:35-36.
De zoon van Sanherib, Esarhaddon(680-669) vervulde één van Assurs grootste wensen, het veroveren van Egypte. Deze overwinning werd al spoedig overschaduwd door invallen in het Noorden en Oosten van zijn Rijk. Ook was hij genoodzaakt nogmaals naar Egypte te gaan om onlusten, die ook daar waren uitgebroken de kop in te drukken. Tijdens gevechten aldaar verloor hij het leven. Zijn opvolger werd Assoerbanipal(668-626). Onder diens gezag herwon Assyrië zijn kracht, maar na zijn dood stortte het als een kaartenhuis in elkaar. Zijn opvolgers waren namelijk niet in staat de oprukkende Meden uit het Oosten en de Chaldeeën uit Zuid-Babylonië tot staan te brengen. In het jaar 612 v Chr. waren dezen al zover gevorderd, dat ze Ninevé verwoestten en hiermee lag het Assyrische rijk als een gestorvene ter aarde.
Er was een einde gekomen aan het eerste Rijk dat God als roede gebruikte om er Zijn volk mee te tuchtigen. Ondanks verwoede pogingen van de Egyptische Farao Necho Assyrië te helpen, omdat hij ook de macht van het opkomend Babylonië vreesde.
Profeten, die in Gods opdracht de ondergang van Assyrië reeds aangekondigd hadden, waren Nahum (3:18-19) en Jesaja. Deze zegt in hoofdstuk 10:12-13:
"Doch het zal geschieden, wanneer de Here zijn ganse werk op de berg Sion en in Jeruzalem voleindigd heeft, dat Ik de vrucht der hooghartigheid van de koning van Assur bezoeken zal en de trots van zijn hovaardige ogen, omdat hij gedacht heeft: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; daarom wis Ik de grenzen der volken uit, plunder hun voorraden en stoot als een stier de bewoners neer".