INLEIDING.

Het komende Tienstatenrijk en zijn leider.

VOORWOORD.

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2.

Hoofdstuk 3.

Hoofdstuk 4.

Hoofdstuk 5.

Hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 7.

Hoofdstuk 8.

Hoofdstuk 9.

Hoofdstuk 10.

Hoofdstuk 11.

Oproep!

De ondergang van Babel op één dag, in één uur!

Gods oordeel over de Rooms Katholieke kerk.

Hoofdstuk 2.

Hoofdstuk 3.

De komst en de wederkomst van de Messias.

 
                       DE KOMST EN DE WEDERKOMST
                                   VAN DE MESSIAS.
               
 
 
IN HET EERSTE DEEL VAN DIT THEMA KONDIGEN OUDTESTAMENTISCHE PROFETIEËN DE KOMST EN HET PLAATSVERVANGEND LIJDEN VAN DE  MESSIAS AAN.
NIEUWTESTAMENTISCHE SCHRIFTGEDEELTEN LATEN DE EXACTE VERVULLING DAARVAN ZIEN.
 
HET BEGINT ECHTER MET VERMELDINGEN OVER HEM, VÓÓR HEMEL EN AARDE GESCHAPEN WAREN.
 
De Here heeft mij tot zijn aanzijn geroepen als het begin van zijn wegen, vóór zijn werken van ouds af. Van eeuwigheid aan ben ik geformeerd, van den beginne, eer de aarde bestond. Toen er nog geen oceaan was, ben ik geboren, toen er nog geen bronnen waren, rijk aan water. Eer de bergen omlaaggezonken waren, vóór de heuvelen ben ik geboren; toen Hij het aardrijk en de velden nog niet had gemaakt, noch de eerste stofdeeltjes der wereld. Toen Hij de hemel bereidde, was ik daar; toen Hij een kring trok op het oppervlak van de oceaan, toen Hij de wolken daarboven bevestigde, en de bronnen van de oceaan met kracht opborrelden, toen Hij aan de zee haar perk stelde, opdat de wateren zijn gebod niet zouden overtreden, en Hij de grondslagen der aarde bepaalde, toen was ik een troetelkind bij Hem, ik was een en al verrukking dag aan dag, te allen tijde mij verheugend voor zijn aangezicht, mij verheugend in de wereld van zijn aardrijk, en mijn vreugde was met de mensenkinderen. Nu dan, zonen, luistert naar mij, want welzalig zijn zij die mijn wegen bewaren. Hoort naar de vermaning, dan wordt gij wijs, slaat haar niet in de wind. Welzalig de mens die naar mij luistert, dag aan dag wachthoudende aan mijn deuren, bewakende de posten van mijn poorten. Want wie mij vindt, heeft het leven gevonden, hij heeft van de Here welgevallen verkregen. Maar wie mij mist, doet zijn leven geweld aan; allen die mij haten, hebben de dood lief.
 
Spreuken 8:22-36.
 
In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen.
 
Johannes 1:1-5.
 
En schrijf aan de engel der gemeente te Laodicea: Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige, het begin der schepping Gods:..
 
Openbaring 3:14.
                                                                                                       
 
O.T.
1. Hoor, iemand roept; Bereidt in de woestijn de weg des Heren, effent in de wildernis een baan voor onze God. Elk dal worde verhoogd en elke berg en heuvel geslecht, en het oneffene worde tot een vlakte en de rotsbodem tot een vallei. En de heerlijkheid des Heren zal zich openbaren, en al het levende tezamen zal dit zien, want de mond des Heren heeft het gesproken.
 
Jesaja 40:3-5.
 
Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt. Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban.
 
Maleachi 4:5-6.
 
N.T.
En het geschiedde, toen hij de priesterdienst voor God verrichtte in de beurt zijner afdeling, dat hij door het lot werd aangewezen, volgens de regel van de priesterdienst, om de tempel des Heren binnen te gaan en het reukoffer te brengen. En de gehele volksmenigte was buiten in gebed op het uur van het reukoffer. En hem verscheen een engel des Heren, staande ter rechterzijde van het reukofferaltaar. En Zacharias ontroerde bij dat gezicht, en vrees beving hem. Maar de engel zeide tot hem: Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren en gij zult hem de naam Johannes geven. En blijdschap en vreugde zal uw deel zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. Want hij zal groot zijn voor de Here en wijn en sterke drank zal hij niet drinken en met de Heilige Geest zal hij vervuld worden, reeds van de schoot zijner moeder aan, en velen der kinderen Israëls zal hij bekeren tot de Here, hun God. En hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht  van Elia, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen, ten einde voor de Here een weltoegerust volk te bereiden.
 
Lucas 1:8-17.
                                                                                                      
 
O.T.
2. Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven.
 
Jesaja 7:14.
 
N.T.
In de zesde maand nu werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazaret, tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, genaamd Jozef, uit het huis van David, en de naam der maagd was Maria. En toen hij bij haar binnengekomen was zeide hij: Wees gegroet, gij begenadigde, de Here is met u. Zij ontroerde bij dat woord en overlegde, welke de betekenis van die groet mocht zijn. En de engel zeide tot haar: Wees niet bevreesd, Maria; want gij hebt genade gevonden bij God. En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal als koning over het huis van Jacob heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen.
 
Lucas 1:26-33.
                                                                                                      
 
O.T.
3. Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Here der heerscharen zal dit doen.
 
Jesaja 9:5-6.
 
N.T.
En zij baarde haar eerstgeboren zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg.
 
En de engel zeide tot hen: Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen: U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad van David. En dit zij u het teken: Gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe. En plotseling was er bij de engel een grote hemelse legermacht, die God loofde, zeggende: Ere zij God in de hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens.
 
Lucas2:7,10-14.
                                                                                                       
 
O.T.
4. En gij, Bethlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
 
Micha 5:1.
 
N.T.
En hij (Herodes) liet al de overpriesters en schriftgeleerden van het volk vergaderen en trachtte van hen te vernemen, waar de Christus geboren zou worden. Zij zeiden tot hen: Te Betlehem in Judea, want aldus staat geschreven door de profeet: En gij, Bethlehem, land van Juda, zijt geenszins de minste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal.
 
Matteüs 2:4-6.
                                                                                                       
 
O.T.
5. Toen Israël een kind was, heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen.
 
Hosea 11:1.
 
N.T.
Hij(Jozef) stond op en hij nam in de nacht het Kind en zijn moeder en week uit naar Egypte, en daar bleef hij tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen Hij zeide: Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen.
 
Matteüs 2:14-15.
                                                                                                       
 
O.T.
6. Zo zegt de Here: Hoor, te Rama klinkt een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten om haar kinderen, omdat er geen meer is.
 
Jeremia 31:15.
 
N.T.
Toen Herodes zag, dat hij door de wijzen misleid was, ontstak hij in hevige toorn en zond bevel om in Betlehem en het gehele gebied daarvan al de  jongens van twee jaar oud en daar beneden om te brengen, in overeenstemming met de tijd, die hij bij de wijzen had uitgevorst. Toen werd vervuld het woord, gesproken door de profeet Jeremia, toen hij zeide: Een stem is te Rama gehoord, geween en veel geklaag: Rachel, wenend om haar kinderen, weigert zich te laten troosten, omdat zij niet meer zijn.
 
Matteüs 2:16-18.
                                                                                                       
 
O.T.
7. Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt.
 
Psalm 2:7.
 
N.T.
Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen. En zie, en stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.
 
Matteüs 3:16-17.
                                                                                                       
 
O.T.
8. Doch er zal geen donkerheid wezen voor het land dat in benauwdheid was. Zoals Hij in het verleden smaad bracht over het land van Zebulon en over het land van Naftali, zo brengt Hij in de toekomst eer over de weg der zee, de overzijde van de Jordaan, de landstreek der  heidenen. Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht".
 
Jesaja 8:23, 9:1.
 
N.T.
Toen Hij vernam, dat Johannes overgeleverd was, trok Hij Zich terug naar Galilea. En Hij verliet Nazareth en ging wonen te Kafarnaüm, aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali, opdat vervuld zou worden het woord, door de profeet Jesaja gesproken, toen hij zeide: Het land Zebulon en het land Naftali, aan de zeeweg, over de Jordaan, Galilea der heidenen: het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een licht opgegaan. Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.
 
Matteüs 4:12-17.
                                                                                                       
 
O.T.
9. En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit de wortelen zal vrucht dragen. En op hem zal de Geest des Heren rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des Heren:..
 
Jesaja 11:1-2.
 
N.T.
En Johannes getuigde en zeide: Ik heb aanschouwd, dat de Geest nederdaalde als een duif uit de hemel, en Hij bleef op Hem. En ik kende Hem niet, maar Hij, die mij gezonden had om te dopen met water, die had tot mij gezegd: Op wie gij de Geest ziet nederdalen en op Hem blijven, deze is het, die met de heilige Geest doopt. En ik heb gezien en getuigd, dat deze de Zoon van God is.
 
Johannes 1:32-34.
                                                                                                       
 
O.T.
10.Wend het oor, mijn volk, tot mijn leer, neigt uw oor tot de woorden van mijn mond; ik wil mijn mond tot een spreuk opendoen, ik wil aloude verborgenheden verkondigen.
 
Psalm 78:1-2.
 
N.T.
En de discipelen kwamen en zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen? Hij antwoordde hun en zeide: Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven. Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen. En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zich toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen.
 
Matteüs 13:10-15. (zie geheel hoofdstuk 13)
                                                                                                       
 
O.T.
11. Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij  is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezelshengst, een ezelinnejong. Dan zal Ik de wagens uit Efraïm en de paarden uit Jeruzalem tenietdoen, ook de strijdboog wordt tenietgedaan; en hij zal de volken vrede verkondigen, en zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee, en van de Rivier tot de einden der aarde.
 
Zacharia 9:9-10.
 
N.T.
En toen zij  Jeruzalem  naderden en  te Betfage  kwamen, aan  de Olijfberg,  toen  zond Jezus  twee discipelen uit, tot wie Hij zeide: Gaat  naar het dorp, dat tegenover u  ligt, en terstond zult gij een ezelin  vastgebonden vinden, en een veulen bij haar. Maakt het los en brengt haar tot Mij. En indien iemand u iets  erover mocht  zeggen, zegt dan: de Here heeft  ze nodig. Hij zal u terstond (terug) zenden.
Dit is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeet, toen hij zeide: Zegt der dochter Sions: Zie uw Koning komt tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezel, en op een veulen, het jong van een lastdier. Nadat de discipelen heengegaan waren en gedaan hadden, zoals Jezus hun had opgedragen, brachten zij de ezelin en het veulen en zij legden hun klederen erop, en Hij ging daarop zitten. En het merendeel der schare spreidde hun klederen op de weg, anderen sloegen takken van de bomen en spreidden die op de weg. En de scharen, die vóór Hem uit gingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren; Hosanna in de hoogste hemelen!
 
Matteüs 21:1-9.
                                                                                                       
 
O.T.
12. De steen die de bouwlieden versmaad hebben, is tot een hoeksteen geworden; van de Here is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen.
 
Psalm 118:22-23.
 
N.T.
Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de schriften: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden; van de Here is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?
Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt. En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.
 
Matteüs 21:42-44.
                                                                                                       
 
O.T.
13. Zelfs mijn vriend, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven.
 
Psalm 41:10.
 
Want het is geen vijand, die mij smaadt; dat zou ik verdragen; het is niet mijn hater, die zich over mij verheft; voor hem zou ik mij verbergen.
Maar gij zijt het, een mens- mijns gelijke, mijn vriend en vertrouwde: Wij, die samen vertrouwelijke omgang genoten, die in het feestgewoel gingen naar Gods huis.
 
Psalm 55:13-15.
 
N.T.
En terwijl Hij nog sprak, zie, daar was Judas, één van de twaalven, en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en oudsten des volk. En die Hem overleverde had hun een teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem. En terstond trad hij op Jezus toe en zeide: Wees gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem. Maar Jezus zeide tot hem: Vriend waartoe zijt gij hier? Toen traden zij toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
 
Matteüs 26:47-50.
                                                                                                       
 
O.T.
14. Zwaard, waak op tegen mijn herder, tegen de man die mijn metgezel is, luidt het woord van de Here der heerscharen; sla die herder, zodat de schapen verstrooid worden; en Ik zal mijn hand keren tegen de kleinen.
 
Zacharia 13:7.
 
N.T.
Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.
 
Doch dit alles is geschied, opdat de schriften der profeten in vervulling zouden gaan. Toen lieten alle discipelen Hem alleen en vluchtten.
 
Matteüs 26:31, 56.
                                                                                                       
 
O.T.
15. En ik heb tot hen gezegd: Indien het goed is in uw ogen, geeft mij loon, maar indien niet, laat het. Toen wogen zij mijn loon af: dertig zilverstukken. Maar de Here zeide tot mij: Werp dat de pottenbakker toe; een heerlijke prijs waarop ik hunnerzijds geschat ben! En ik heb de dertig zilverstukken genomen en die in het huis des Heren de pottenbakker toegeworpen.
 
Zacharia 11:12-13.
 
N.T.
Toen het nu morgen geworden was, namen al de overpriesters en de oudsten des volks het besluit tegen Jezus Hem te doden.
Toen kreeg Judas, die Hem verraden had, berouw, daar hij zag, dat Hij veroordeeld was, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug, en hij sprak: Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dit aan? Gij moet zelf maar zien wat ervan komt! En de dertig zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich; daarop ging hij heen en verhing zich. De overpriesters  namen de zilverlingen en zeiden: Wij mogen die niet in de offerkist doen, want het is bloedgeld. En zij namen het besluit daarvoor het land van de pottenbakker te kopen als begraafplaats voor de vreemdelingen. Daarom heet dat land Bloedakker, tot op heden toe. Toen werd vervuld hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia, toen hij zeide: En zij namen de dertig zilverlingen, de geschatte waarde van het geschatte, die zij geschat hadden van de kinderen Israëls, en zij gaven die voor het land van de pottenbakker, gelijk de Here mij had opgedragen.
 
Matteüs 27:1-10.
                                                                                                       
 
O.T.
16. Mijn rug heb ik gegeven aan wie sloegen, en mijn wangen aan wie mij de baard uittrokken; mijn gelaat heb ik niet verborgen voor smadelijk speeksel.
 
Jesaja 50:6.
 
N.T.
Toen spuwden zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten; anderen sloegen Hem in het gelaat en zeiden: Profeteer ons, Christus, wie is het, die u  geslagen heeft?
 
Matteüs 26:67-68.
                                                                                                       
 
O.T.
17. Want honden hebben mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij omsingeld, die mijn handen en voeten doorboren. Al mijn beenderen kan ik tellen; zij kijken toe, zij zien met leedvermaak naar mij. Zij verdelen mijn klederen onder elkander en werpen het lot over mijn gewaad.
 
Psalm 22: 17-19.
 
N.T.
En Hij, zelf zijn kruis dragende, ging naar de zogenaamde Schedelplaats, in het Hebreeuws genaamd Golgotha, waar zij Hem kruisigden en met Hem twee anderen, aan weerszijden één, en Jezus in het midden.
 
Toen dan de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen zij zijn klederen en maakten daarvan vier delen, voor iedere soldaat één deel, en zijn onderkleed. Dit kleed nu was zonder naad, aan één stuk geweven. Zij zeiden dan tot elkander: Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal; zodat het schriftwoord vervuld werd: Zij hebben mijn klederen onder elkander verdeeld en over mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de soldaten gedaan.
 
Johannes 19:17-18, 23-24.
                                                                                                       
 
O.T.
18. Ja, zij gaven mij gif tot spijze, en lieten mij in mijn dorst  azijn drinken.
 
Psalm 69: 22.
 
N.T.
Hierna zeide Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden: Mij dorst! Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest.
 
Johannes 19: 28-30.
                                                                                                       
 
O.T.
19. Hij behoedt al zijn beenderen, niet één daarvan wordt gebroken.
 
Psalm 34:21.
 
N.T.
De soldaten kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was, braken zij zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit. En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft. Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden: Geen been van Hem zal verbrijzeld worden. En weer een ander schriftwoord: Zij zullen zien op Hem, die zij doorstoken hebben.
 
Johannes 19: 32-37.
                                                                                                       
 
O.T.
20.Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des Heren geopenbaard? Want als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekten, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de Here heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.
 
Jesaja 53:1-7
 
N.T.
Want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt. Want mag dát roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dát is genade bij God. Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten.
 
1 Petrus 2: 19-21.
 
 
O.T
Hij is uit de verdrukking en gericht weggenomen, en wie onder zijn tijdgenoten bedacht, dat hij is afgesneden uit het land der levenden? Om de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest. En men stelde zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest. Maar het behaagde de Here hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des Heren zal door zijn hand voortgang hebben.
 
Jesaja 53:8-10.
 
N.T.
Toen werden met Hem twee rovers gekruisigd, één aan zijn rechterzijde en één aan zijn linkerzijde.
 
Toen het nu avond geworden was, kwam een rijk man van Arimatea, genaamd Jozef, die eveneens een discipel van Jezus geworden was. Deze ging naar Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus het hem te geven. En Jozef nam het lichaam en wikkelde het in zuiver linnen, en hij legde het in zijn nieuw graf, dat hij in de rots had laten uithouwen.
 
Matteüs 27:38, 57-60.
                                                                                                      
 
O.T.
21. Om zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden zal hij dragen. Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit verdelen, omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder de overtreders werd geteld, terwijl hij toch veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft.
 
Jesaja 53: 11-12.
 
N.T.
Doch de engel antwoordde en zeide tot de vrouwen: Weest gij niet bevreesd; want ik weet dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats waar Hij gelegen heeft. En gaat terstond op weg en zegt zijn discipelen, dat Hij is opgewekt uit de doden. En zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd. En zij gingen terstond weg van het graf , met vrees en grote blijdschap, en liepen haastig voort om het zijn discipelen te berichten. En zie, Jezus kwam haar tegemoet en zeide: Weest gegroet. Zij naderden Hem en grepen zijn voeten en zij aanbaden Hem. Toen zeide Jezus tot haar: Weest niet bevreesd. Gaat heen en bericht mijn broeders, dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij Mij zien.
 
Matteüs 28: 5-10.
                                                                                                       
 
O.T.
22. Aldus luidt het woord des Heren tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetenbank voor uw voeten.
 
Psalm 110:1.
 
N.T.
De   Here  Jezus   dan   werd,  nadat   Hij   gesproken   had,
opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand Gods.
 
Marcus 16: 19.
 
 
 
HET TWEEDE DEEL VAN DIT THEMA LAAT U AAN DE HAND VAN PROFETIEËN DE WEDERKOMST VAN DE MESSIAS  ZIEN. EEN KOMST OM TE VERLOSSEN ZIJN BRUIDSGEMEENTE EN DAARNA VOOR HET JOODSE VOLK.
                                                                         
 
O.T.
23a. Ik nam het woord en vroeg hem: Wat betekenen de twee olijftakken rechts en links van de kandelaar? Andermaal nam ik het woord en vroeg hem: Wat betekenen de twee olijftakken, die door twee gouden buizen het goud van zich doen uitvloeien? En hij zeide tot mij: Weet gij niet, wat zij betekenen? Ik antwoordde: Nee, mijn heer. Toen zeide hij: Zij zijn de twee gezalfden die vóór de Here der ganse aarde staan.
 
Zacharia 4:11-14.
 
23b. Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt. Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen,...
 
Maleachi 4: 5-6.
 
N.T.
a. En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang. Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Here der ganse aarde staan.
 
Openbaring 11:3-4.
 
b. En de discipelen vroegen Hem en zeiden: Hoe kunnen dan de schriftgeleerden zeggen, dat Elia eerst moet komen? Hij antwoordde en zeide: Elia zal wel komen en alles herstellen, maar Ik zeg u, dat Elia reeds gekomen is,…
 
Matteüs 17:10-11a.
                                                                                                       
 
O.T.
24. Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; en hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is.
 
Daniël 7: 13-14.
 
N.T.
En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op de wolken, met grote macht en heerlijkheid. En dan zal Hij zijn engelen uitzenden en zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het uiterste der aarde tot het uiterste des hemels.
 
Marcus 13: 26-27.
                                                                                                       
                                                           Huize Israëls
O.T.
25. Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene.
 
Zacharia 12: 10.
 
N.T.
Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen. Ik ben de alfa en de omega, zegt de Here God, die is en die was en die komt, de Almachtige.
 
Openbaring 1: 7-8.
                                                                                                       
 
O.T.
26. Dan zal de Here uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg; zijn voeten zullen ten dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts;
 
Zacharia 14: 3-4.
 
N.T.
En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij henenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen.
Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, genaamd de Olijfberg, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis daarvandaan.
 
Handeligen 1: 9-12.
                                                                                                       
 
O.T.
26. Troost, troost mijn volk, zegt uw God. Spreekt tot het hart van Jeruzalem, roept het toe, dat zijn lijdenstijd volbracht is, dat zijn ongerechtigheid geboet is, dat het uit de hand des Heren dubbel ontvangen heeft voor al zijn zonden.
 
Jesaja 40: 1-2.
 
Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven.
 
Daniël 9:24.
 
Te dien dage zal er een bron ontsloten zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem ter ontzondiging en reiniging.
 
Zacharia 13:1.
 
Komt, laat  ons  wederkeren  tot  de  Here! Want  Hij  heeft verscheurd, en zal ons helen; Hij heeft geslagen, en zal ons verbinden.
Hij zal ons na twee dagen  doen herleven, ten  derde  dage zal  Hij  ons  oprichten, en  wij zullen leven voor zijn aangezicht.
 
Hosea 6:1-2.
 
Dan zult gij tot inkeer komen en het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient, en wie Hem niet dient.
 
Maleachi 3:18.
 
Elia van den Bergh.
 
 
Wij mogen allen die Jezus Christus toebehoren, in Zijn Naam de opdracht geven het bestaan van deze website door te geven. Aan zowel Joden als Christenen. De inhoud mag U downloaden of kopieëren en kosteloos en zonder enig gewin doorgeven. Doch, een ieder die aan de inhoud iets toevoegt of afneemt, de hand des Heren zal zwaar op hem drukken. 
 
Dit alles in het licht van de woorden uit Openbaring 10:11:
 
" Gij moet wederom profeteren over vele natiën en volken en talen en koningen".
 
Theodorus Petrus.
 
Elia van den Bergh.
 
info@hetkomendeneorijk.com
 
2005